Interview met Ard

Ik kreeg een paar jaar geleden voor het eerst klachten, toen ik midden dertig was. Ik was een heel fanatieke mountainbiker en ik merkte aan de hartslagmeter dat ik erg hoge waarden kreeg. Ook werd ik heel licht in mijn hoofd als ik te snel opstond. De huisarts vond het wel raar, maar wist niet wat het was. Hij deed een ecg en constateerde onregelmatigheden. Omdat die allerlei oorzaken kunnen hebben, stuurde hij me door naar de cardioloog. Die constateerde trombose en zette me meteen op bloedverdunners. Hij zei dat ik de hartslag had van iemand van zeventig en daar schrok ik heel erg van.
 
Ik vroeg meteen een consult bij de sportcardioloog, omdat ik wilde weten of ik nog mocht sporten en zo ja in welke mate. Ik heb altijd het gevoel gehad dat hij me niet serieus nam als sporter, hij had nooit tijd voor me en keek steeds op zijn horloge. Hij raadde me cardioversie aan, een techniek om het hart met een stroomstoot weer in het juiste ritme te krijgen. De eerste keer mislukte en ik kreeg zwaardere medicijnen om mijn hart weer in een goed ritme te krijgen. De tweede cardioversie leverde ook geen resultaat op en de derde evenmin. Toen had ik er geen vertrouwen meer in. Inmiddels was ik anderhalf jaar verder en al die tijd had ik nauwelijks kunnen sporten. Dat was echt afkicken.
 
Ik bezocht een andere cardioloog en die raadde me ablatie aan. Dat is een ingreep waarbij ze punten in je hartkamer branden op de plaatsen waar het probleem ontstaat. Ik vroeg een second opinion van een tweede cardioloog, die hierin gespecialiseerd was. Hij wilde me eerst testen op de loopband. Daaruit kwam dat mijn hartkamers op hol slaan bij inspanning. Het beetje sporten dat ik nog deed, had ik nooit mogen doen in combinatie met de geneesmiddelen die ik toen slikte. Dat was weer schrikken. Hij gaf me bètablokkers, maar toen ik daar zelfs achter het stuur blackouts van kreeg, stopte ik meteen met slikken.
De volgende sportcardioloog die ik sprak, vertelde me de voors en tegens van ablatie en liet de keus aan mij. Zij gaf me andere bloedverdunners, gecombineerd met een middel dat de hartslag dempt en ritmestoornissen tegengaat. Daarmee mocht ik weer gaan sporten, binnen redelijke grenzen. ‘Leef gewoon verder’, zei ze. Nu krijg ik jaarlijks een echo en een uitgebreide sportkeuring en daaruit blijkt dat mijn hart niet zwakker wordt.
 
Eind dit jaar ga ik het weer over die ablatie hebben. Het is nog steeds een reële optie voor me. Ik heb geen bijwerkingen van de medicijnen. Maar die zijn wel vrij zwaar en wat doen die met je als je ze je halve leven slikt? Ik besef wel dat ze mijn redding zijn, maar ik heb er toch mijn twijfels bij. Voor iemand die voordien zelfs nooit een aspirine slikte, is het medicijngebruik op zich al een vervelende gedachte. Als ik niet zou sporten, zou een bloedverdunner volstaan. Maar juist het feit dat ik nog wel kan sporten, helpt me om de trombose te aanvaarden.